Stortemelk Halve Marathon, Vlieland

In het vakantiehuisje typ ik de sms al die ik aan mijn vrouw zal sturen: Nog 1 km. Mocht ik later die middag echt zover komen, dan kan ik haar zo laten weten dat ik over een paar minuten bij de finish ben zonder dat ik die tekst tijdens het lopen nog moet schrijven. 

Aan de start bij camping Stortemelk is het rustig, de lopers zijn nog verspreid over het terrein of zijn aan het inlopen. Het is bijna half twaalf, zondagmiddag 14 augustus. Ik schud Cor Messing de hand. Hij is oprichter van de Loopgroep Vlieland en vanaf de vijfde editie betrokken bij de organisatie van de halve marathon op Vlieland. Vlak na mijn inschrijving kreeg ik een mailtje van hem want hij blijkt 50 meter van mij vandaan te wonen in Hilversum. Een paar dagen voor de start krijg ik nog wat looptips van hem en nu het moment daar is wenst hij me succes.

Een jongen komt aangereden op de fiets. Hij ziet er niet uit als een heel serieuze hardloper – die herken je wel aan bidonnetjes rond het middel en snelle shirtjes. We begroeten elkaar en hij blijkt een eilander. En getraind is hij inderdaad niet echt maar: “Ik ben een eilander en wij geven niet op, hè. Wij gaan gewoon door.” Ook op iets wat nog het meest lijkt op zaalvoetbalschoenen, kennelijk.

Ik ben nerveus. We staan in het startvak. Cor geeft de microfoon aan Jan van Vlieland (Jan Houter: fietsverhuurder, trouwambtenaar, schrijver, artiest en naast alles wat ik vergeet kennelijk ook speaker) die ons richting startsein kletst. De sfeer is goed. Ik hoor dat de burgemeester ons gaat wegschieten, ik kan hem niet zien. Daar klinkt het schot en weg zijn we. Het bos in en richting jachthaven.

Stortemelk_start

De tip van Cor die ik vooral in mijn oren heb geknoopt is om een tempo te lopen dat voelt als te langzaam. Dat probeer ik vol te houden en ik ben erg geconcentreerd. Toch geniet ik ook van de mensen die al langs de route in de duinen staan en aanmoedigingen schreeuwen. Al ken je ze niet, zij helpen je echt verder.

Voor mij lopen twee meisjes, ik schat een jaar of negentien, twintig. Ze keuvelen er lustig op los. Ik sta op het punt te vragen of ze dat 21 km gaan volhouden maar hou me in, ik wil me alleen focussen op het lopen. Bij het 2 kilometer-punt hoor ik een paar heren waar ik al even achter zit hun tempo noemen en dat sluit mooi aan bij wat ik wil, zo rond de 6 minuten per kilometer. Ik besluit bij hen aan te haken.

Na de haven gaat het richting de dorpsstraat. Daar wordt de finish al opgebouwd en de aanblik van de vrijwilligers die daar sinaasappels staan te snijden prent ik me in, als vooruitzicht. Zou één van die vruchten voor mij zijn, of behoor ik straks tot de uitvallers? Het voelt nog goed.

In de dorpsstraat is het gezellig. Muziek, mensen op terrasjes en wij. Kijk ons nog eens fit lopen en monter die duinen in gaan! Een vrouw met een megafoon roept van alles, maar haar aanmoediging nog een klein stukje lijkt mij wat al te optimistisch. “Kom op jongens, hou vol!” klinkt de markante diepe en krachtige stem van Clara van het Armhuis. Ik moet glimlachen. Ik zal mijn best doen Clara, denk ik bij mezelf.

We gaan het dorp uit en na een kilometer rechtsaf de duinen in, de eerste serieuze klim. Kleine pasjes, gaat prima. De zon begint echt te schijnen, het wordt zelfs warm en ik vergeet niet om me heen te kijken. Het duin is prachtig met de bloeiende heide er tussendoor. En een lang lint van lopers meandert richting noordkant van Vlieland.

Wanneer ik een bidon verlies uit mijn gordel – ja ik doe net of ik een echte loper ben, maar fijn is het om drinken bij de hand te hebben – moet ik een paar meter terug lopen en heb daarna moeite weer bij ‘mijn’ groepje aan te sluiten. Ik laat het maar zo, want we liepen met tegenwind en als benedenwindse loper zat ik flink in de zweetluchten. Dan liever alleen en met frisse wind om me heen. Het betekent wel dat ik nu dus alleen loop en de motivatie echt uit mezelf moet halen. En dat nu we echt een paar flinke heuvels voor onze kiezen krijgen. Niet eens heel steil, maar vooral langzaam omhoog lopend en daardoor langer zwaar. Ik haal een mevrouw in die ongeveer tot mijn middel komt. Zo te zien behoorlijk getraind. Later, op de weg naar het dorp, hoor ik haar al een tijd aankomen door de korte pasjes voordat ze me voorbij loopt.

Een man, ik schat hem tegen de veertig, constateert nuchter: “Zijn we hier al? Dat gaat lekker.” Bij hem heb ik minder vertrouwen in de afloop. Hij loopt op een soort gympen die je vroeger op school gebruikte en heeft een oud en beetje slonzig t-shirt aan. Maar schijn bedriegt weer eens want als een diesel gaat hij door en wanneer we linksaf richting Posthuys gaan moet ik hem voor me laten gaan.

Op de weg richting Posthuys krijg ik een klap te verduren. De wind die me koelte gaf valt weg en de broeierige lucht die boven het land hangt maakt het lopen opeens een stuk zwaarder. Het is voor het eerst dat ik me afvraag waarom ik hier eigenlijk tussen al die mensen loop. Waarom wil ik een halve marathon lopen?  Ik begon met een training omdat ik mee wilde lopen om daarmee geld op te halen voor Stop Aids Now tijdens de halve marathon in Amsterdam, maar nu lijk ik het lopen echt leuk te gaan vinden. Alhoewel, zo rond deze 14e kilometer is de finish behoorlijk ver. De training werd dan ook onderbroken door verkoudheid en vermoeidheid waardoor ik zo’n drie weken niet liep. En de afgelopen twee weken hier op het eiland heeft mijn jongste zoon zich voorgenomen toch vooral maar niet na zes uur wakker te worden (ik verzeker u, om kwart over vijf ’s ochtends ben je echt de enige op het strand met een kinderwagen). Dus echt uitgeslapen ben ik niet.

Rond 15 kilometer hou ik mezelf voor: Nog maar vijf, en hee… vijf kilometer heb je inmiddels zo vaak gelopen! De gestrande loper langs de kant van de weg die in een isolatiedeken wordt gewikkeld is er het bewijs van dat je deze afstand niet moet onderschatten en je te veel van jezelf kunt vergen. Ik heb met hem te doen.

Mijn benen beginnen pijn te doen… 17 kilometer gehad. Ik heb er al aan toe gegeven dat ik af en toe moet lopen om even op adem te komen en mijn benen rust te geven. Wat voelt dat lekker… gewoon lopen. Maar door. Het dorp is in zicht.

Ik word ingehaald door de twee keuvelende meisjes die nu niet meer keuvelen maar gestaag richting einde lopen.

De mevrouw die in de iPhone-app zit en mij op de hoogte houdt van afstand, tijd en loopsnelheid zegt dat ik op twintig kilometer zit. Met een paar drukken op de telefoon verstuur ik het sms’je aan mijn vrouw.

De dorpsstraat. Een stuk meloen is zeer welkom en wordt mij aangeboden door een jongetje met een dienblad. De mevrouw met de megafoon is er ook nog, een DJ staat tegenover haar en door die walm van geluid zie ik het einde van de dorpsstraat opdoemen. Uiteraard is het m’n eer te na om in de dorpsstraat nog te gaan wandelen, maar de mensen langs de kant maken dat ik ook de behoefte niet voel.

Daar staat mijn vrouw, met onze twee zonen. En nog vrienden erbij. Rechts geeft een meisje van achter een dranghek mij nog een high-five en ik hoor Jan van Vlieland mijn naam zeggen alsof we elkaar al jaren kennen.

Ik besluit mijn moment te pakken, steek mijn armen omhoog en na 2 uur en ruim 13 minuten ga ik over de finish van mijn eerste halve marathon  

Stortemelk

Als ik mijn tanden zet in een sinaasappel zie ik de zaalvoetbalschoenen-jongen van het eiland over de finish…strompelen. Kapot maar gehaald. Zoals zo velen vandaag. En daar kun je alleen maar respect voor hebben. En sinds 14 augustus 2011 behoor ik ook tot de lopers van een halve marathon!

 

PS

Grappig, mijn verslag verscheen inmiddels in niets minder dan de New York Times van Vlieland: de Vliezier.

Bewijs?

1 of 1
Posterous theme by Cory Watilo